De Omgevingswet en de rol van de raad

Inzichten vanuit de workshops Raad in beraad

Alinda van Bruggen
6-2-2018

Tientallen gemeenteraden namen in 2017 deel aan een workshop Raad in Beraad: interactieve workshops, verzorgd door WagenaarHoes in opdracht van BZK, over de rolneming als raadslid en raad in veranderende verhoudingen. Veel raden kozen ervoor om daarbij in te zoomen op de rol van de raad bij de naderende Omgevingswet. Onderstaande aandachtspunten zijn gebaseerd op de inzichten die in de workshops naar voren kwamen.

Veel raadsleden denken bij de Omgevingswet aan meer ruimte geven voor initiatieven vanuit de samenleving. Dat betekent echter niet dat de raad alles moet loslaten. Integendeel, de raad is in belangrijke mate aan zet om de manier waarop de gemeente en de lokale samenleving met elkaar omgaan opnieuw vorm te geven, door de mix van inhoudelijke en proceskaders die zij stelt.

  • Drie dingen die voor de raad echt anders worden bij de Omgevingswet: (a) nu moet een bestemmingsplan eens per 10 jaar worden herzien; het omgevingsplan kan continu, organisch worden doorontwikkeld; (b) in het omgevingsplan zijn integrale afwegingen mogelijk, niet alleen van fysieke aspecten, maar ook ten opzichte van bijvoorbeeld economische waarde, werkgelegenheid etc;  (c) ook het proces en de spelregels kunnen in belangrijke mate door de raad worden bepaald en in omgevingsvisie en omgevingsplan worden vastgelegd: wie zijn belanghebbend, wat moet een initiatiefnemer doen, aan welke voorwaarden moet hij voldoen?
  • Het omgevingsplan is, net als nu het bestemmingsplan, bindend voor zowel inwoners en initiatiefnemers als voor de gemeente. Dat wil zeggen: als een initiatief past binnen de eisen en bepalingen in het omgevingsplan, dan mag het doorgang vinden. Goede kaderstelling vooraf is dus van groot belang.
  • De raad bepaalt niet alleen de inhoud van de kaders, maar kan ook in belangrijke mate de aard van de toetsingscriteria bepalen: de mix van ‘dichte’ objectieve normen en meer open kwalitatieve eisen. Voor een aantal aspecten, vooral ten aanzien van milieu en gezondheid, stelt het Rijk minimumnormen. Voor de andere aspecten kan de raad kiezen om te werken met exacte normen (bijv.: maximum nokhoogte) of met kwaliteitseisen (bijv: geen parkeeroverlast). Bij gebruik van kwaliteitseisen is altijd een situationele afweging aan de orde: wordt in dit geval een op deze plek passende invulling gegeven aan de gestelde kwaliteitseis? Daarbij is in principe altijd ook dialoog met de belanghebbenden aan de orde. Werk dus rond thema’s waar situationeel maatwerk belangrijk is bij voorkeur met kwaliteitseisen in plaats van met dichte normeringen.
  • Het is raadzaam om na te denken over de vraag hoeveel maatwerk de raad, maar ook het college en de organisatie in dat opzicht aan kunnen. Door in het omgevingsplan een intelligente mix in te zetten van enerzijds exacte normen, vergunningsvrije onderdelen en  kwaliteitseisen waarbij een situationele afweging nodig is, kan de bestuurlijke en organisatorische werklast hanteerbaar gehouden worden.
  • De Omgevingswet biedt mogelijkheden om zaken anders te regelen, maar de raad bepaalt in hoeverre de gemeente daarvan gebruik maakt.
  • Het samenspel tussen initiatiefnemer, gemeente en andere belanghebbenden verandert: waar nu een initiatiefnemer zich tot de gemeente wendt en dan de gemeente gesprekspartner is voor eventuele insprekers, wordt onder de Omgevingswet van de initiatiefnemer zelf gevraagd om draagvlak te zoeken voor zijn initiatief. De gemeente kan daarbij wel op verschillende manieren faciliteren of meepraten.
  • Het opstellen van goede participatieafspraken is voor de raad een van de meest cruciale stappen op weg naar de Omgevingswet. Maar hoe kom je tot goede proceskaders? Wat in het ene dorp of de ene kern een passende vorm van participatie is, hoeft niet overal passend te zijn. De Omgevingswet biedt de ruimte om zowel in de inhoudelijke kaders als in de proceskaders / participatieafspraken verschil te maken tussen verschillende gebieden binnen de gemeente.
  • Meer zeggenschap bij burgers leggen heeft ook een keerzijde: het belangenconflict wordt daarmee ook deels teruggelegd in de samenleving. In de Omgevingswet wordt veel waarde gehecht aan onderling overleg tussen initiatiefnemers en belanghebbenden. Dit kan dit ook tot conflicten en spanningen tussen inwoners leiden, en inwoners durven zich lang niet altijd tegen een plan van een buurtgenoot uit te spreken. Niet voor niets is ooit gekozen om het belangenconflict uit de samenleving in de politieke arena te laten beslechten. Het is aan de raad om te bepalen wat een passende mate en wijze van participatie is. Er ligt voor de raad een grote opgave en kans bij de kaderstelling. Gelukkig is er een goede basis in de bestaande visies en bestemmingsplannen en hoeft de verandering niet in één keer. Het is raadzaam om tijd te nemen om te leren werken met de ruimte die de Omgevingswet biedt en daarin pragmatisch te zijn. Dit kan door te oefenen in pilots, door gebiedsgewijs meer los te laten of door eventueel themagewijs gaandeweg meer ruimte te geven.
  • Bij het leren werken met de ruimte die de Omgevingswet biedt, met name het werken met kwaliteitseisen, is het raadzaam een open gedachtewisseling met het college te organiseren, zoals eerder rond de decentralisaties. Het is belangrijk dat college en raad elkaar goed leren verstaan als het gaat om beoordelingen van kwaliteitseisen en integrale afwegingen.
  • Het uitstel van de invoeringsdatum van de Omgevingswet is geen reden om nu te gaan vertragen. De beweging die de Omgevingswet beoogt is al ingezet, en zal ook nog lange tijd doorgaan. De invoeringsdatum van de wet is belangrijk, maar de verandering is al gaande.

Meer weten? Bel of mail 06-15060352 of alinda.van.bruggen@wagenaarhoes.nl

Deel deze pagina