Drie perspectieven op samenwerking

Harry ter Braak
11-4-2017

Bieuwe Geertsema bestudeerde voor dit proefschrift de financiële consequenties van gemeentelijke fusies en kwam tot zeer interessante conclusies over wat dit type samenwerking oplevert. Joseph Stiglitz bespreekt de Euro en geeft veel te denken over de Europese samenwerking en hoe je die kan verbeteren. Mark Hernman bespreekt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevenden in ondernemingen en levert met dit proefschrift boeiende aanwijzingen om de samenwerking in organisaties beter te regelen.

Bieuwe Geertsema, The economic effects of municipal amalgamation and intermunicipal cooperation, proefschrift Universiteit Groningen, Groningen, 125 blz., ISBN 978-90-367-9432-9 / 978-90-367-9431-2 (e-book) 

Bieuwe Geertsema levert, met zijn zeer toegankelijke en goed leesbaar in het Engels geschreven proefschrift, een grote bijdrage aan het inzicht in de financiële consequenties van fusies en intergemeentelijke samenwerking In Nederland. "Samengevat zien we dat, in de praktijk het gevoerde beleid op gemeentelijke schaal internationaal geen uitsluitsel geeft over wat hierin optimaal is. Toch zien we regelmatig herstructureringsoperaties die een schaalvergroting beogen, waarbij vaak – ook in Nederland – financiële prikkels een rol spelen op basis van de aanname dat daarbij efficiencywinst te behalen valt."

 Uit een aantal onderzoeken blijkt dat de gemeentelijke uitgaven na een herindeling stijgen (in Zwitserland, Denemarken en Finland), terwijl andere onderzoeken het tegendeel uitwijzen (in Israël en Duitsland). Ook voor het zogenaamde ‘common pool’-effect is door een aantal onderzoekers bewijs gevonden (in Denemarken, Zweden en Finland). 

Na een introductie op het onderwerp presenteert Bieuwe in de hoofdstukken 2 en 3 de onderzoeksaanpak en resultaten over dit onderwerp. Het onderzoek biedt serieus toegevoegde waarde ten opzichte van de bestaande literatuur op het gebied van zowel de gebruikte data als ingezette methodologie. In hoofdstuk 4 wordt inzicht geboden in de effecten van intergemeentelijke samenwerking. Naar de effecten van uitbesteding van overheidsdiensten is geen onderzoek gedaan. Theoretische complicaties voor het onderzoek worden uitgebreid besproken en van een passend antwoord voorzien.

Er is gezocht naar verschillende typen van efficiency, zoals productieve en allocatieve efficiency. Bij productieve efficiency gaat het om de vraag hoe een bepaalde productie-eenheid (in dit geval: een gemeente) gegeven een bepaalde input (o.a. het gemeentelijke budget) optimaal kan produceren (diensten kan leveren), of hoe een bepaalde productie tegen zo laag mogelijke input geleverd kan worden. In de context van gemeenten definieert Bieuwe maximale allocatieve efficiency wanneer de samenstelling en kwaliteit van de publieke dienstverlening precies overeenkomt met de wensen van het publiek. Ook het Oates decentralisatie theorema is in dit opzicht relevant. Dit theorema stelt dat taken zo ver mogelijk gedecentraliseerd moeten worden, zolang de opbrengsten opwegen tegen de kosten. Theoretisch kan worden gesteld dat de gemeentegrootte zowel ten aanzien van productieve efficiency als ten aanzien van allocatieve efficiency positieve en negatieve effecten kan hebben.

De uitkomst van dit onderzoek is dat er geen robuust bewijs te vinden is voor het bestaan van herindelingseffecten, noch voor noch na herindeling. Interessant is dat die ook niet te vinden zijn als op allerlei subcategorieën wordt geordend en geanalyseerd. Ook is bekeken of de eventuele winst ingezet is om meer kwaliteit te leveren. Maar daar is ook geen bewijs voor te vinden. 

"We hebben gezien dat het kabinet Rutte II heeft ingezet op het stimuleren van gemeentelijke herindelingen. Dit beleid is niet alleen ingegeven door de verwachting dat dit financieel voordelig zou zijn. Als voornaamste reden is opgegeven dat de ambitie is ontstaan om de bestuurskracht van gemeenten te vergroten, ook met het oog op het verzwaarde takenpakket na de decentralisaties in het sociale domein. Toch zijn er ook substantiële efficiencywinst ingecalculeerd én begroot voor de (middel)lange termijn. Wij vinden echter geen empirisch bewijs wat de verwachtingen ten aanzien van deze efficiencywinsten kan ondersteunen. Het onderzoek ondersteunt wel de hypothese die aan de basis staat van een belangrijk argument tegen intergemeentelijke samenwerking: lokale politici zullen naar verwachting minder kunnen sturen op de efficiënte levering van publieke diensten wanneer ze de uitvoering ervan beleggen bij een intergemeentelijke organisatie.

Dit betekent niet automatisch dat intergemeentelijke samenwerking onder geen beding een goede keuze is: er kunnen andere argumenten zijn om hier wel toe over te gaan. Maar het potentiële efficiencyverlies is ontegenzeggelijk een reëel risico dat niet onderschat of genegeerd kan worden door beleidsmakers."

 

De Euro

Joseph Stiglitz, de euro, hoe de gemeenschappelijke munt de toekomst van Europa bedreigt, Athenaeum-Polak &Van Gennip, Amsterdam 2016, 427 blz. Vertaald door Arian Verheij en Huub Stegeman, ISBN 9789025300876.

 

Joseph Stiglitz (Nobelprijswinnaar, adviseur van Clinton en hoofdeconoom van de Wereldbank) laat zien hoe ondoordacht er, naar zijn oordeel de afgelopen jaren is gehandeld door de Centrale Europese Bank en de Europese regeringen. Hij laat het niet bij kritiek, maar biedt ook uitzicht met drie mogelijke toekomstscenario's. Dan zijn wel fundamentele veranderingen van de eurozone nodig, een opheffing van de EU, of een totaal nieuw systeem dat uitgaat van een flexibele euro. Zijn benadering is niet klassiek, maar maakt gebruik van de wetten uit de institutionele economie.

 

De zeventig Nederlandse economen die zich tegen het einde van de vorige eeuw tegen de komst van euro bekenden komen, middels Robert Went, in het eerste voorwoord aan het woord. Geert Noels, auteur van Econoshock, komt in het tweede en Stiglitz in het derde. In het eerste deel wordt de crisis in Europe beschreven. In deel twee komen de aangeboren gebreken aan de orde. In deel drie komen het verkeerde beleid als recept voor recessie en de structurele hervormingen die de problemen vergroten aan bod. Maar ook het bouwen aan een eurozone die wel werkt. In het vierde deel de uitweg kan men als vrienden uiteengaan op naar een flexibele euro. 

 

Economische integratie, hoe goed bedoeld ook, kan een averechts effect hebben als de onderliggende economische visie als deze meer door ideologie en belangen bepaald wordt, dan door reële economische gegevens en kennis, toont Stiglitz aan. Het aanhoudende verlangen tot economische integratie kan niet slagen als ook een politieke integratie deze niet steunt. De werkelijkheid is dat die politieke integratie meer ideologie vertegenwoordigt, dan de werkelijkheid van de straat. De gevolgen zijn desastreus. Herbert Hoover bezuinigde tijdens de Grote Depressie en Europa deed het nu weer. Gevolg krimp. James Meade Kelvin Lancaster en Richard Lipsey toonden aan dat het wegnemen van verstoringen juist schadelijk kan zijn voor de economie, als er sprake is van meerdere verstoringen. Allemaal suboptimale oplossingen die Europa teisterden. 

 

Papier- en muntgeld is ouderwets, elektronisch geld veel handiger voor alle partijen. Helaas hebben de banken er het monopolie op. Griekenland zou eenvoudig uit de euro kunnen stappen als het in afstemming met de andere eurolanden gebeurt en zijn eigen Griekse euro krijgt. Kritisch vragen die je daarover kan hebben, worden eenvoudig beantwoord. Het oude denken voedt angsten die helemaal niet meer passen bij de huidige werkelijkheid. Geen misverstanden; Stiglitz stelt met klem dat iedereen belang heeft bij een succes van het Europese project. Tegelijkertijd betwist hij het voordeel van de handelsverdragen tussen de verschillende werelden, omdat daarmee vertrouwd wordt op een ideologie die niet past bij de werkelijkheid van vandaag. Die les kan ook van de eurozone geleerd worden. Stiglitz sluit soms hoopvol dan weer moedeloos af met een hoofdstuk over de Brexit. Hoe dan ook, de lezer wordt gemakkelijk meegenomen in zijn denken over de fundamentele wetten van de economie.

 

De Strafrechtelijke Aansprakelijkheid

Mark Hernman, De strafrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevenden van ondernemingen, een beschouwing vanuit multidimensionale perspectief, Boom juridisch, Den Haag 2016, 546 blz., ISBN 9789462366022.

 

Mark Hernman levert met zijn proefschrift een interessant perspectief op de verschillende verantwoordelijkheden van leidinggevenden en de mate waarin deze strafrechtelijk aansprakelijk kunnen zijn. Hij werkt vanuit de zes configuraties van Minzberg. In deel een definieert hij het strafrechtelijk en organisatiewetenschappelijk kader. In deel twee maakt hij de analyse van de zes configuraties. In deel drie sluit hij af met concluderende en uitleidende beschouwingen. Het klassieke wereldbeeld is dat van de Weberiaanse piramide, maar de werkelijkheid van vandaag beantwoordt daar niet aan. Het detectie en effectueringsmechanisme (van oplossingsruimte) voldoet daar dus ook niet. Vervolgens verfijnt en actualiseert hij de organisatiemodellen. De simpele structuur, de machinebureaucratie, de divisiestructuur, de professionele bureaucratie, de adhocratie en de matrixorganisatie vormen de basis van zijn analyse.

Door binnen elk van de configuraties verschillende leidinggevende posities te bepalen, kan voor elk van de basisposities worden geanalyseerd met welke (on)mogelijkheden leidinggevenden worden geconfronteerd bij het signaleren en aanpakken van misstanden in hun organisatie. Welke kennis moeten zij hebben en welke zorgplicht mag van hen verwacht worden? Toegewijd leiderschap dient te worden beloond en dat vraagt een verdere aanscherping van de zorgplichten. Een gedegen organisatiestructuur, organisatiecultuur en informatiestructuur zijn essentiële voorwaarden. Als dat niet het geval is zou aanscherping van de strafbaarstelling daarvan, naar het oordeel van Hernman te raden zijn.

Voor de controller en manager van publieke organisaties levert het boek/onderzoek een boeiend inzicht in de verantwoordelijkheid het werk goed te organiseren. In zijn kern komt de conclusie van dit onderzoek, hoe simpel maar ook essentieel, op het volgende neer: zeggenschap vormt de, en zelfs een zeer gedegen, basis voor aansprakelijkheid, kennis vormt een, zo niet het, probleem en de zorgplicht vormt de oplossing. Dat levert bv wel een potentieel probleem op dat we kennen in publieke politiek gestuurde organisaties dat van de onwetende leidinggevende (bestuurder). Er staat al snel een boete op zeggenschap en een sanctie op het vergaren van kennis. Als gevolg hiervan is het aantrekkelijk om zo min mogelijk te weten. Met een aanscherping van de zorgplicht zijn deze hanteerbaar te maken, namelijk de plicht de institutionele context binnen de organisatie te waarborgen en de verplichting toezicht te houden. Allerlei belangrijke beginselen passeren de revue, sommige worden gerelativeerd. Het schuldbeginsel heeft maar relatieve waarde.

Deel deze pagina