Governance: verschillende perspectieven op democratie

Boekbespreking

Harry ter Braak
6-3-2015

Ik neem een toenemende belangstelling bij auteurs waar over de toekomst van de overheid. Het aantal boeken daarover stijgt feitelijk. De democratie heeft daarbij in de governance de bijzondere aandacht.

John Micklethwait en Adrian Wooldridge voorzien een vierde revolutie op zoek naar een overheid van morgen waarbij democratische beginselen anders ingericht moeten worden. David Reybrouck is tegen verkiezingen en voor loting als basisprincipe, omdat het veel beter past bij de oude Griekse en Romeinse opvattingen over democratie en bovendien meer vertrouwen van de burger in het bestuur zal opleveren. Hij verbindt zijn denken aan het concept van de deliberatieve democratie. Terry Clark en zijn mede-auteurs laten zien dat participatie en vertrouwen van de burger in het bestuur, lang niet overal op dezelfde manier werken. Democratie moet vanuit zijn perspectief gebonden aan tijd en plaats, en nog een aantal andere factoren, specifiek ingevuld worden, wil zij het vertrouwen van de burger oproepen.

John Micklethwait, Adrian Wooldridge (2014). De vierde revolutie, op zoek naar de overheid van morgen. Antwerpen: De Bezige Bij.

Micklethwait en Wooldridge, hoofdredacteur en management editor bij The Economist bekijken de positie van de staat kritisch en komen tot de conclusie dat een revolutie op handen is. In twee delen, negen hoofdstukken, komen ze in hun conclusie toe aan het democratisch tekort. Dit vanuit economische perspectieven geschreven boek neemt de lezer mee in het denken over de positie van de staat. Thomas Hobbes met de opkomst van de natiestaat, John Stuart Mill en zijn liberale staat, Beatrice Webb over de verzorgingsstaat en Friedman over het verloren paradijs, staan ieder voor een eigen perspectief en denken over de rol van de staat. Van de opkomende economieën zoals India en het Aziatisch Singapore kunnen we inmiddels veel leren. China kijkt ook liever in die richting.

Moderne politici zijn echter als architecten die redetwisten over de toestand van de afzonderlijke vertrekken in een bouwvallig huis, haastig hier een venster te repareren en daar een nieuw verflaagje aanbrengen, zonder ooit naar de conditie van het gehele huis te kijken. Het streven naar een beter management zou een volledig apolitiek thema moeten zijn. Wie na het lezen van deze teksten verwacht dat de auteurs voor technocratische oplossingen zijn, vergissen zich. Tegelijkertijd zijn ze niet geheel onbevooroordeeld. Ze werken voor The Economist, een weekblad geworteld in het klassiek liberalisme en hechtend aan de vrijheid van het individu en voorstander van een kleine staat, kritisch tegelijkertijd en beseffend dat de particuliere gezondheidszorg in America duurder is en slechter functioneert dan de publieke Zweedse.

De eerste revolutie vond plaats in de zeventiende eeuw toen Europese vorsten centralistisch bestuurde staten construeerden. Natiestaten werden handelsimperia en ondernemende liberale democratieën. Eind achttiende eeuw ontwikkelde zich de tweede revolutie, met de Amerikaanse en Franse revolutie naar meer meritocratische een controleerbare bestuursvormen. Ze stalen het Chinese idee van een professioneel ambtelijke apparaat op basis van selectie via examens, vrije markten en beperking van de macht van de staat. Toen het besef doordrong dat de vrijheid van de werkman zonder goed onderwijs en gezondheidszorg betekenisloos was, was er ruimte voor de derde revolutie naar de verzorgingsstaat. Helaas zijn democratisering en vervetting (overmaat) sindsdien hand in hand gegaan. Helaas kost het democratieën moeite de werkelijkheid onder ogen te zien. Baumol heeft met zijn wet (ziekte) aangetoond dat de markt zich efficiënter zal ontwikkelen dan de overheid. De successen met het terugdringen van de omvang van de overheid werden vervolgens altijd weer overschaduwd door de onmatigheid die erop volgde. De Amerikaanse econoom Herbert Stein merkte ooit droogjes op: “als iets niet eeuwig door kan gaan, zal het een keer ophouden”. Het gemiddelde percentage bezuinigingen of belastingverhoging in de G20 om in 2030 een hanteerbare schuld te hebben, is 9,3 procent. Mislukking en concurrentie zullen aanzetten tot verandering. Zeven hoofdzonden: uit de tijd zijn, inefficiency van de overheid (Baumol), te grote belangengroepen (Olsen), de overactieve staat, warrige cijfers, wie heeft zal meer krijgen, politieke verlamming. Allemaal doordat de macht aan het volk is gegeven ... maar de periferie zal zich ontwikkelen als de kern en nieuwe oplossingen genereren.

De Aziatische staten zeggen terecht dat de burger in het Westen de staat de schuld kan geven. De democratie is zo zijn eigen kwaal. In de periferie ontwikkelt zich een wereld waar gekeken wordt naar wat werkt. Dat hoeft overigens niet alleen het Oosten te zijn, maar kan bij wijze van spreken ook Scandinavië zijn. We zullen wel klassieke vooronderstellingen los moeten laten die ons in de greep van het verleden houden. De auteurs noemen er vier: alles in eigen huis doen, gecentraliseerde besluitvorming is nodig, openbare instellingen moeten uniform zijn, en verandering is altijd verslechtering. Een 'copernicaanse revolutie' die de gebruiker tot middelpunt van het heelal en de publieke sector zal maken dringt zich op; pluralistisch, met de charme van diversiteit, lokaal, experimenterend en gebaseerd op een geheel nieuwe technologie. De democratie zal daarbij hervormd moeten worden op een wijze waarop de slechtste neigingen worden ingetoomd en haar beste worden aangemoedigd. ‘Liquid democracy’ waarbij een betere balans tussen representatieve en directe democratie gevonden wordt, vormt daarbij de basis. Een inspirerend boek voor iedereen in de publieke sector met vele concrete suggesties over hoe bovenstaande abstracties concreet kunnen worden.

David Van Reybrouck (2014). Tegen verkiezingen. Amsterdam: De Bezige Bij.

Van Reybrouck was onder meer auteur van het prijzenwinnende boek Congo. Vanuit de symptomen en de diagnoses over de werking van de democratie vervolgt de auteur via de pathogenese naar de remedies en conclusie. De democratie roept geestdrift en argwaan op. Voorwaar een paradox. De legitimiteit en het draagvlak kalft af, evenals de daadkracht door een crisis van efficiency. De diagnose van het populisme is dat het aan de politici ligt, anderen wijzen op de technocratisering van het bestuur en weer anderen wijzen naar de representatieve democratie met de directe democratie als oplossing. Ook de electorale democratie moet het ontgelden. De media, commercieel en sociaal, doen hun invloed, hysterie, gevoelen.

Onze huidige democratische beginselen blijken bij nadere bestudering van de geschiedenis al helemaal niet zo oud als we wel eens denken. In Athene en Rome werd geloot. Participatie van burgers was direct en belangrijke beslissingen werden genomen door zeer grote massa's. Onze oplossingen zijn een compromis passend bij de ontwikkelingen in de tijd waarin ze ontstonden, zonder veel kennis van de oorsprong en geschiedenis van de democratie. Loting was in die tijd het instrument van de aristocratie om de dienstplicht bij de lagere klassen te doen belanden. Het verloor zijn oorspronkelijke waarde. Vrijheid is het evenwicht tussen autonomie en loyaliteit, tussen regeren en geregeerd worden. Gandhi zou gezegd hebben: “alles wat je voor mij doet zonder mij, doe je tegen mij”. De tragedie van de electoraal-representatieve democratie.

Peilingen meten wat het publiek denkt, als het niet denkt … deliberatieve peilingen zullen wat anders opleveren. De deliberatieve democratie, waarin de deelnemers alle informatie krijgen en bespreken die voorhanden is, heeft zich de afgelopen tien jaar in vele vormen ontwikkeld. Voorbeelden (G1000 initiatief) worden door de auteur beschreven. Referenda en deliberatieve democratie staan, hoewel beide naar de mening van de burger vragen, haaks op elkaar.

Een dergelijke aanpak stuit uiteraard ook op vele dilemma's, zoals het aantal lichamen, de grote van de groep, de zittingsduur, de beraadslagingsmethode et cetera. Met verwijzing naar een andere auteur (Bouricius) worden inspirerende oplossingen uitgewerkt. Van Ruysbrouck adviseert eerst naar een ‘bi-representatief’ model te gaan waarin beide vormen, door stemming en loting, een plek krijgen om te leren en toe te groeien naar een definitieve stap naar loting. Een boeiend boek voor bestuurders en managers die naar andere oplossingen zoeken. Die bereid zijn hun vastgeroeste veronderstellingen over wat goed is in een democratie los te laten.

Terry Nichols Clark and co-authors. Can Tocqueville Karaoke?, Global contrasts of CitizenVision participaties, the arts and development. Bingley: Emerald Group Publishing Limited.

Met achttien collega's uit de gehele wereld heeft Terry Nichols Clark een boek weten samen te stellen dat in de eerste plaats een verzameling wetenschappelijke studies verenigt, met veel feitenmateriaal, waarin zij proberen een nieuw framework te ontwikkelen voor de analyse van democratische participatie en economische groei. Daarin worden twee tradities bij elkaar gebracht: die van de democratische participatie van Alex de Tocqueville, en die van de innovatie (Bohemian) ideeën die de economie aanjagen van Joseph Schumpeter en Jane Jacobs.

In de eerste twee delen van het boek worden recente ontwikkelingen op de kerngedachten van deze auteurs uitgewerkt. Dat leidt tot de conclusie dat participatie en innovatie veel met elkaar van doen hebben en geïntegreerd raken. In het derde deel, waarin de centrale gedachten van het boek verder uitgewerkt worden, laten ze zien dat de buzz rond kunst en cultuurorganisaties kritische krachten vormen voor de nieuwe democratische politiek en ‘cutting edge economies’, met nieuwe spelregels.

Participatie verhoogt lang niet overal op de wereld het vertrouwen in het bestuur. Ras, klasse, gender zijn al lang niet meer de drivers bij participatie en stemmen. Stemmen en participeren al lang niet meer de drivers om legitimiteit en vertrouwen op te bouwen en een werkbaar politiek systeem te genereren. In een "New Political Culture" context, die fundamenteel afwijkt van bv. de klasse en cliëntelisme-benadering is de impact van de context op de legitimiteit en het vertrouwen positief.

Zo stellen de auteurs, is het lidmaatschap van cultureel samenhangende groepen en context bepalend voor wat werkt. Naast dat is vast te stellen dat kunst en cultuurparticipatie in grote delen van de wereld is toegenomen, wordt ook vast gesteld dat de invloed van beleidsinnovatie in kunst en cultuur een krachtig politiek instrument is geworden. Mime spelers op straat kunnen effectiever zijn dan corrupte politie agenten. Voor iedereen die participatie hoog op zijn agenda heeft staan om de democratie te versterken, doet er goed aan dit boek tot zich te nemen.

 

Deel deze pagina