Het kan anders

Boekbespreking

20-12-2013

De boeken die dit keer de revue passeren laten alle zien dat het anders kan. Henk van Tuinen geeft een eigen kijk op de economische werkelijkheid die veel menselijker zou kunnen worden. Gijs van Loef neem de lezer mee in de te vaak vergeten verschillen tussen markt en overheid. Voer voor bestuurders? Paul Fentrop laat zien wat in de loop der eeuwen, de belangrijkste veranderingen zijn geweest in de corporate governance.

Henk van Tuinen (2013). Ons land kan menselijker. Amsterdam: De Bezige Bij

Van Tuinen neemt ons in drie delen mee, van de tegenstrijdigheden in onze economie en samenleving, via de ombuiging die plaats zou kunnen vinden van destabilisatie naar niemand bedreigende mechanismen, naar zijn samenhangende visie op mens economie en samenleving. De grotere heterogeniteit, de sterkere dynamiek, de toenemende complexiteit en de groeiende overvloed vormen de trends en achtergrond waartegen veel veranderingen plaats vinden. De politiek wordt onbenulliger en de vertegenwoordigende democratie dreigt ten gronde te gaan. Ons kortetermijndenken destabiliseert ons leefmilieu, de financiële sector faciliteert de economie, maar parasiteert. Onze arbeid om meer te consumeren maakt ons niet gelukkig en onze consumentensoevereiniteit is een illusie. Dat brengt ons bij de onmenselijkheid van de economie. Maakt de samenleving ons of wij de samenleving? We worden gemanipuleerd door reclame, meegesleept door de media en van de wijs gebracht door bureaucratie en hufterigheid. Swaab en Malabou leren ons over het brein, en Malabou wijst op het verschil tussen flexibiliteit en plasticiteit. We kunnen ons verzetten tegen welvaartsverlies als gevolg van de eenzijdige manipulatie door de maatschappelijke context waarin we ons zelf geplaatst hebben. De markt behoeft neutralisering voor eenzijdige manipulatie. Ons geldsysteem destabiliseert, onder verwijzing naar Bernard Lietaer van de club van Rome en het IMF, en behoeft een complementair systeem. Bijvoorbeeld zorgverzekeraar Menzis verstrekt 'SamenGezond-punten' die besteed kunnen worden aan gezondheidsbevorderende zaken. Dergelijke alternatieve systemen zijn veel gezonder. De Civic als alternatieve opbrengst van belastingen, te vereffenen door een maatschappelijke taak uit te voeren, is maatschappelijk veel nuttiger in te zetten. Economen hebben hun bijdrage te ver opgerekt. Mensen zijn geen homo economicus. De liefde is van daaruit niet meetbaar. Economen brengen een tunnelvisie waarin de marktwerking van de zorg, meer zorg dan nodig op levert die bovendien ook nog eens veel te veel kost. Interessant hoe in het boek veel gebezigde theorieën wetenschappelijk zeer verantwoord ter discussie worden gesteld. Tuinen adviseert de instelling van een ontplooiingsfonds dat campagnes financiert en ons uit de kokervisie van economen helpt. Hij adviseert een complementair geldstelsel dat stabiel en minder corrumperend is dan ons huidige geldstelsel. Tot slot adviseert hij minder naar economen te luisteren en meer rekening te houden met sociale stelsels. Al met al een boeiend perspectief voor beleidsadviseurs die eens buiten de gebaande paden willen treden bij het denken over de bijdrage van de overheid aan een betere samenleving.

Gijs van Loef (2013). Kiezen tussen overheid en markt, een wake-up-call voor onze volksvertegenwoordigers.

Duidelijk is dat de marktwerking ter discussie staat. Wat zijn de principes en randvoorwaarden van overheidshandelen? Met welk denkmodel kan je dat vraagstuk te lijf gaan? Wat betekent dat voor verschillende soorten overheidsactiviteiten, of het nu om gezondheidszorg of de vergroening van de economie gaat? Van Loef kiest voor een scherpe tegenstelling tussen overheid en markt, als twee elkaar uitsluitende waardensystemen en gaat er daarna mee aan de slag. De afgelopen jaren is er veel over geschreven en zijn er serieuze conflicten en debatten aan besteed. Van Loef poneert voor de overheid een aantal principes. De overheid zorgt voor individuele rechtvaardigheid (1), garandeert collectieve veiligheid en zekerheid (2), koestert de nationale ( gemeenschappelijke) identiteit (3) en bevordert een duurzame samenleving (4). Vervolgens ontwikkelt hij een denkmodel van overheid en markt, waarin hij vier bouwstenen herkent van menselijke activiteiten: willen, denken, doen en kunnen. Voor de overheid en bedrijfsleven geldt bovendien dat ze wettelijk gelegitimeerd moeten zijn en dus moeten 'mogen'. Vervolgens onderscheid hij vijf type situaties: alleen overheid, overheid dominant, partnerships overheid, markt, markt dominant en markt soeverein en beschrijft hij hoe die zich verhouden tot de genoemde menselijke activiteiten. Daarna confronteert hij de vijf situaties met de genoemde principes. Voor elke overheidstaak zou je scherp moeten hebben welk principe ze dienen en welke mogelijkheden er dan zijn en nagaan in hoeverre ze door marktwerking ter discussie zouden komen. In 'gesloten' taaksystemen, waar proces en netwerk moeilijk te scheiden zijn (vgl. Spoor), kun je slecht marktwerking toestaan omdat dat onherroepelijk tot (te) complexe coördinatie en regelsystemen leidt met alle gevolgen van dien als morele verwarring. Het boek laat zich in het begin gemakkelijk lezen, maar wordt uiteindelijk moeilijk te doorgronden omdat de mening van de auteur uiteindelijk boven wetenschappelijk verantwoorde uitspraken gaan. Niettemin laat van Loef op geheel eigen wijze zien hoe belangrijk het is scherp te zijn op wat je aan de markt kan overlaten.

Paul Fentrop (2013). De geschiedenis van Corporate Governance, van VOC naar 21e eeuw. Zwolle: van Gorcum.

Paul Fentrop neemt de lezer mee in de geschiedenis, door de bril van ondernemingen met een gespreid aandelenkapitaal. Corporate governance gaat daar in principe over. Het gaat niet over het navolgen van regels, maar over het in goede banen leiden van ondernemingen. In het begin ging het dus bij de ontwikkeling van de corporate governance vooral om hoe kapitaalverschaffers er zich van verzekerden rendement op hun investering te verkrijgen. Het boek concentreert zich niet op de governance, maar de bewegingen waar deze aan onderhevig waren. De Verenigde Oost-Indische Compagnie vormt met Johan van Oldenbarnevelt het startpunt. De kosten zijn al snel vast en het profijt onzeker. Dividend en zeggenschap moesten in twistzieke tijden veroverd worden. Regenten hadden grote invloed en hoefden zich eigenlijk nergens te verantwoorden. De Republiek was immers geen democratie. Zeker in de beginjaren werden governance problemen opgelost door het 'open' contract tussen aandeelhouders en bestuurders gesloten te maken. Rond 1750 zou de stoommachine ontwikkeld worden en de industriële revolutie beginnen. Maar die revolutie begon zonder brede aandeelhoudersbasis. Onderneming en kapitaalmarkt waren toen nog gescheiden.

Breed aandeelhouderschap kon naar het oordeel van Adam Smith alleen onder specifieke voorwaarden, al was het maar om het 'agency'-probleem hanteerbaar te maken. De institutionele nieuwigheid, dat aandeelhouders nooit meer konden verliezen dan hun inleg, kreeg in de jaren rond 1850 zijn beslag. In de jaren erna ontstonden banken die een rol gingen spelen in de financiering van ondernemingen. Een rol van waaruit hele nieuwe relaties ontstonden tussen ondernemingen en hun financiers. Maar daarmee ontstonden natuurlijk ook conflicten en schandalen met alle vertrouwenscrises van dien. Er ontstond vervolgens eind negentiende eeuw een kapitaalmarkt en veel grotere ondernemingen met een heel andere eigendomsstructuur, de zogenaamde holdingstructuur. Nieuwe vertrouwensvragen dienden zich aan. Verschillende soorten aandeelhouders met verschillende soorten van zeggenschap. Beursgenoteerde ondernemingen ontstonden en onder bestuurders bestond toen grote weerstand tegen het idee kapitaalverschaffers informatie te verstrekken. Het disciplineringsmiddel toezicht begon zich te ontwikkelen. De positie van banken daarmee ook. Belasting op winst kreeg een plek en de belastingdienst had zijn eigen (in)toezicht. De crisis van 1929 gaf een nieuwe impuls aan het denken over de corporate governance. Banken en accountants werden meer door wetgeving gedisciplineerd. Loonbelasting werd aan het begin van de vorige eeuw geïntroduceerd en heeft het beslag van de overheid op de economie sterk vergroot. Maar daarmee werd hun invloed op bedrijven ook groter. Tegelijkertijd groeide de macht van de managers. Het ging zover dat ze begonnen te bepalen wie aandeelhouder zou mogen zijn. Tatcher en Reagan hebben de markt weer meer op de kaart gezet. Een markt waarin alle partijen (aandeelhouders, managers etc.) elkaar konden disciplineren in de overnamemarkt. Maar ook dat veranderde weer. Eind 90'er jaren van de vorige eeuw werd het punt bereikt waarop institutionele beleggers op de beurs in de meerderheid kwamen. De VS hebben na de volgende crisis met de Sabanes-Oxley-wet de accountant een belangrijker plek gegeven en keken daarbij niet eens naar de mogelijkheid van toezicht als disciplineringsmechanisme. Accountants mogen geen belangenverstrengeling meer hebben door de koppeling van controle en advies. Een nieuw ‘agency’-vraagstuk dient zich inmiddels aan. Hoe verantwoorden institutionele beleggers zich tegenover hun achterban. Fentrop heeft een zeer verantwoord boek afgeleverd dat zich laat lezen als een spannend jongensboek met vele citaten en literatuurverwijzingen.

 

Deel deze pagina