Jeugdzorg: actuele vragen

De decentralisatie van de jeugdzorg roept bij gemeenten en provincies vragen op. Onderstaand een antwoord op actuele vragen (klik op de vraag voor onze reactie).

Heeft u andere vragen? Neem dan vrijblijvend contact op met René Hooijdonk, Marjolijn Bramer of Alinda van Bruggen via (0343) 52 40 10.

1. Wie is aan zet om de transitie van de jeugdzorg vorm te geven?

2. Welke partijen moeten in dit stadium worden betrokken bij de transitie van de jeugdzorg?

3. Moeten alle gemeenten actief meedoen in de transitie van de jeugdzorg, of is het voldoende als de centrumgemeenten dit doen?

4. Kan bij de transitie van de jeugdzorg naar gemeenten direct de gewenste paradigmawisseling worden vormgegeven, of overvragen we onze mensen dan?

5. Hoe organiseren we ‘het kind centraal’ structureel?

6. Welke taken moeten bovenlokaal worden opgepakt en wat is daarvoor de geëigende schaal?

7. Hoe kunnen provincie en gemeenten de onderlinge rolverschuiving en verantwoordelijkheidsoverdracht soepel en gecontroleerd laten verlopen?

8. Op welk moment en op welke manier moeten de zorgaanbieders en zorgverzekeraars in de transitie worden betrokken?

 1. Wie is aan zet om de transitie van de jeugdzorg vorm te geven?

Het is nuttig onderscheid te maken tussen het transitieproces en de vormgeving van de nieuwe situatie. De provincies en de drie stadsregio’s Amsterdam, Den Haag en Rotterdam zijn vanuit hun huidige taak de aangewezen partij om als stelselregisseur de relevante partijen bijeen te brengen en om een plan van aanpak voor de transitie te ontwikkelen. De gemeenten zijn echter aan zet om de nieuwe situatie vorm te geven, aangezien zij de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg krijgen.

2. Welke partijen moeten in dit stadium worden betrokken bij de transitie van de jeugdzorg?

Voor een optimale vormgeving van de nieuwe situatie en een optimaal verloop van het transitieproces is het wenselijk dat provincie c.q. de stadregio, gemeenten, BJZ, jeugdzorgaanbieders en ook zorgverzekeraars gezamenlijk optrekken bij het ontwerp van de nieuwe situatie en de overgang daar naartoe. Daarbij dienen wel duidelijke afspraken vooraf te worden gemaakt over de verschillende rollen en verantwoordelijkheden, en momenten waarop deze verschuiven.

3. Moeten alle gemeenten actief meedoen in de transitie van de jeugdzorg, of is het voldoende als de centrumgemeenten dit doen?

Bepaalde jeugdzorgtaken zullen in de jeugdzorg op bovenlokaal niveau georganiseerd moeten en gaan worden. Zo dringen sommige kleinere gemeenten erop aan om een centrumgemeentefunctie in het leven te roepen, discussies hierover moeten vaak nog op gang komen. Voor welke taken dat precies zou gelden, hangt mede af van keuzes die gemeenten nog moeten maken. Wat de optimale schaal en samenwerkingsverbanden zijn voor de bovenlokale taken, hangt deels af van de taken waarom het gaat en deels van de bestaande samenwerkingsverbanden in de regio (voor zorg, onderwijs, veiligheid, et cetera). Om deze redenen vinden wij het verstandig dat alle gemeenten actief deelnemen in de eerste fase van de transitie, waarin de contouren van de nieuwe situatie geschetst moeten worden.

Nadere toelichting: Een belangrijk uitgangspunt bij de decentralisatie van de jeugdzorg is versterking van de nulde lijn. Die vindt in principe altijd lokaal plaats en vergt daarom actieve inzet van iedere gemeente. Als de nulde lijn niet voldoende is om (dreigende) problemen op te lossen moet het kind/ gezin snel, gericht en adequaat geholpen worden vanuit de 1e en zo nodig 2e lijn. Hoe en op welke schaal de daartoe benodigde functies (signalering, intake, casemanagement, inkoop van zorg) het best georganiseerd kunnen worden, hangt af van lokale en regionale kenmerken, zoals de aard en omvang van de lokale problematiek, bestaande voorzieningen, de realisatiekracht van de gemeente, de kwaliteit en schaal van aanwezige aanbieders, bestaande samenwerkingsverbanden.

4. Kan bij de transitie van de jeugdzorg naar gemeenten direct de gewenste paradigmawisseling worden vormgegeven, of overvragen we onze mensen dan?

Wij adviseren alle partijen die betrokken zijn bij de jeugdzorg om de transitie vanaf het eerste moment vorm te geven vanuit het nieuwe paradigma (versterken eigen kracht, kind centraal, et cetera). Want als men dit niet zou doen dan nemen gemeenten eerst de bestaande taken, functies en werkwijzen over, om pas in een later stadium een nieuwe meer effectieve en efficiënte manier van werken te gaan implementeren. Dan wordt de totale verander-inspanning veel groter, moeilijker en langduriger. De totale kosten van de transitie zullen dan naar verwachting zowel financieel als in tijdelijk productiviteitsverlies aanzienlijk hoger zijn.

5. Hoe organiseren we ‘het kind centraal’ structureel?

Om het principe van ‘het kind centraal’ daadwerkelijk vorm te geven adviseren wij de transitie vorm te geven vanuit een herontwerp van het primaire proces. Optimalisering van de verschillende fasen in het primaire proces c.q. de procesketen (signalering, intake en beoordeling, inkoop van zorg, zorgverlening, nazorg en casemanagement), gezien vanuit het kind/gezin, biedt deze benadering een goed vertrekpunt om nieuwe functies en daarbij behorende rollen en verantwoordelijkheden te formuleren.

6. Welke taken moeten bovenlokaal worden opgepakt en wat is daarvoor de geëigende schaal?

Bepaalde jeugdzorgtaken zullen op bovenlokaal niveau georganiseerd blijven. Voor welke taken dat precies geldt hangt mede af van keuzes die gemeenten nog moeten maken. Zo zouden de aansturing van het (vernieuwde) BJZ en de inkoop van zorg (et cetera) vanuit de centrumgemeente kunnen gaan plaatsvinden. De keuzes ten aanzien van het bovenlokaal organiseren van jeugdzorgtaken hangen voor veel gemeenten ook samen met een heroriëntatie op de rol van de GGD. Immers, inhoudelijk is er een verbinding doordat in sommige gemeenten taken in het kader van de jeugdgezondheidszorg, het lokaal gezondheidsbeleid en de OGGZ (deels) zijn ondergebracht bij de GGD, maar organisatorisch zijn veel GGD-en in beweging omdat de regio-indeling van de GGD-en in 2013 identiek moet zijn aan die van de veiligheidsregio’s. Van gemeenten vraagt dit een integraal ontwerp voor een efficiënte organisatie van de betreffende taken, waarbij het onderscheid tussen beleid, programmering en uitvoering specifieke aandacht vraagt.

7. Hoe kunnen provincie en gemeenten de onderlinge rolverschuiving en verantwoordelijkheidsoverdracht soepel en gecontroleerd laten verlopen?

Wij adviseren provincies en gemeenten om te starten met een gezamenlijk convenant waarin de hoofdlijnen van het plan van aanpak van de transitie, uitgangspunten en afspraken over verantwoordelijkheden, rollen en financiering worden vastgelegd. Wij hebben een plan van aanpak ontwikkeld om binnen korte tijd met alle kernspelers op provinciaal of regionaal niveau tot een gedragen convenant voor de transitie van de jeugdzorg te komen.

8. Op welk moment en op welke manier moeten de zorgaanbieders en zorgverzekeraars in de transitie worden betrokken?

Zorgaanbieders en zorgverzekeraars worden steeds meer de proactieve partners en vernieuwers op het domein van de jeugdzorg. Wij adviseren om hen vanaf de start te betrekken in de vormgeving van de nieuwe situatie, dat wil zeggen: al in de verkennende gesprekken voordat een plan van aanpak of transitieconvenant wordt opgesteld.

Heeft u meer vragen over de decentralisatie van de jeugdzorg? Neem contact op met René Hooijdonk, Marjolijn Bramer of Alinda van Bruggen via (0343) 52 40 10.